1953: ten oosten van Rotterdam ligt een drassige polder ruim zes meter beneden zeeniveau waar slechts enkele mensen wonen. Toen de bewoners – voornamelijk tuinders – van de plannen hoorden om hier duizenden woningen te gaan bouwen, namen ze dat vanwege de slappe ondergrond niet erg serieus. Toch werd deze onwaarschijnlijke polder – de Prins Alexanderpolder – aangewezen als de locatie voor de Nederlandse bijdrage aan het negende CIAM-congres in Aix-en-Provence.
Het thema voor dit congres was habitat. Het moest een antwoord geven op de vraag hoe de ideale woonomgeving eruit moest zien, maar de deelnemers hadden moeite om overeenstemming te bereiken over de invulling van dit begrip. Ook binnen de Nederlandse delegatie – bestaande uit Lotte Stam-Beese, werkzaam als hoofd Stedelijke Ontwikkeling bij de gemeente Rotterdam en Jaap Bakema, een van de leidende figuren binnen CIAM en het latere TEAM X – was daar al discussie over. Ze hadden zo hun eigen ideeën over het begrip habitat. De discussie ging niet alleen over hoe de woonomgeving in de Alexanderpolder eruit moest zien, maar vooral over de schaal. De twee waren het oneens over de hoogte van de woongebouwen en waar de voorzieningen moesten worden ondergebracht. Beiden produceerden een schetsontwerp, die qua uitgangspunten aanzienlijk van elkaar verschilden.
Het schetsontwerp van Bakema bestond uit een plan voor elf zeer grote gebouwen op kolommen (pilotis) midden in het polderlandschap, aflopend van hoog naar laag. Het zijn echte “mammoeten”, zoals hij ze zelf noemt: grote autonome gebouwen waarin eigen voorzieningen zijn opgenomen, zoals winkels, scholen en een daktuin voor de bewoners. Aan de voet van elke mammoet was laagbouw met eengezinswoningen gepland. Vanwege de drassige veengrond waren de wegen verhoogd. Ze leidden door de weilanden om de gebouwen met elkaar te verbinden. Tussen de gebouwen was plek voor recreatie en bestaande land- en tuinbouw. De mammoeten van Bakema zijn geïnspireerd op de verticale buurt zoals die is toegepast in de Unité d’Habitation van Le Corbusier in Marseille.

Lotte Stam-Beese plaatste in haar eerste schetsontwerp voor de Alexanderpolder ook een aantal grote woongebouwen op kolommen in het polderlandschap, maar haar gebouwen waren beslist geen mammoeten. Rondom de hoogbouw plande ze lage blokken van 2, 4 of 6 woonlagen. In verband met de drassige bodem stelde ze voor wegen en bebouwing samen te onderheien. Op de begane grond tussen de lagere stroken was ruimte ingepland voor voorzieningen zoals winkels, scholen en veel gemeenschappelijk groen. Elke herhaling van een cluster van woongebouwen werd een wooneenheid genoemd.

Ondanks dat Bakema en Stam-Beese in essentie dezelfde doelstelling hadden, namelijk een habitat creëren voor de bewoners, liepen de ideeën voor het gebied flink uiteen. De beide ontwerpers bekritiseerden elkaars plannen. Stam-Beese vond dat Bakema’s mammoeten te geïsoleerd ten opzichte van elkaar stonden en dat de menselijke maat verloren ging. Ook zette ze grote vraagtekens bij het functioneren van de mammoeten. Dit nieuwe concept moest volgens haar eerst grondig worden onderzocht, met name de vraag of het wel een aangename woonsituatie zou opleveren. Deze twijfel was niet zo vreemd, want ook bij de Unité d’Habitation in Marseille werd getwijfeld aan de gevolgen van zo’n verticale stad voor het geestelijke welzijn van de bewoners. Een ander kritiekpunt van Stam-Beese was de radicale doorsnijding van het polderlandschap. Bakema had ook het nodige op te merken op Stam-Beese’s plannen. Hij vond dat de clusters met bouwblokken te dicht op elkaar stonden, waardoor het terrein te vol werd. Bovendien vond hij dat de woningen te weinig eigen identiteit hadden.
De inzending voor CIAM IX werd een compromis van de twee plannen, een echt polderplan dus. De mammoeten waren weliswaar uit het plan verdwenen, maar kwamen in een afgeslankte vorm als hoogbouw terug. Tijdens het voorgaande Congres in Hoddesdon (1951) was het thema de core: een bindend element met centrale voorzieningen in een wijk. In dit nieuwe polderplan voor CIAM IX werd deze core de bindende factor tussen de plannen van Bakema en Stam-Beese. Het plangebied werd opgedeeld in twee keer vier buurten met laagbouw en middelhoge strokenbouw in orthogonale compositie. Daartussen kwam een grote middenzone – de core – met veel groen en wijkvoorzieningen. Verder werd in dit groene middengebied een plek gecreëerd voor drie hoge woongebouwen.

De inzending voor de Alexanderpolder die Bakema tijdens het congres presenteerde, trok veel belangstelling, juist door de geïntegreerde woonfuncties in de middenzone. Ook andere CIAM-projecten, zoals Richmond Park van de Engelse groep MARS en Chandigarh van Lamba en Drew, werden om die reden goed ontvangen. Vooral de jongere CIAM-leden waren zeer gecharmeerd van de plannen. Zij zagen hierin een antwoord op hun bezwaren tegen de strikte scheiding van stedelijke functies zoals dat tijdens voorgaande congressen werd nagestreefd.
Na dit congres werkte Bakema verder aan de plannen voor de Alexanderpolder, terwijl Stam-Beese zich ging bezighouden met andere uitbreidingsplannen rond Rotterdam. Op het volgende CIAM-congres in Dubrovnik in 1956 lag er een nieuw plan voor de Alexanderpolder. Voortbordurend op de thema’s en denkbeelden die in de loop der tijd de revue waren gepasseerd, draaide Bakema de compositie ten opzichte van drie jaar eerder helemaal om. De hoogbouw in het centrale middengebied verplaatste hij naar de rand in het groen. Het vormde zo een overgang van polder naar woongebied. In het centrale middengebied kwamen nu eengezinswoningen. Tussen deze huizen en de hoogbouw stonden flatgebouwen van drie en vier verdiepingen hoog.

Een aantal jaren na Dubrovnik ging Stam-Beese zich weer intensief bezighouden met de daadwerkelijke ontwikkeling van de Alexanderpolder en in het bijzonder de locatie Het Lage Land. Enkele jaren later verrezen hier de eerste woningen, maar daarover later meer.
De wooneenheid van Stam-Beese
Het begrip wooneenheid kent, net als Stam-Beese zelf, een bewogen geschiedenis die begint in de Sovjet-Unie. Daar was ze in november 1930, nadat ze was gestopt met haar studie aan het Bauhaus, terechtgekomen om haar knipperlichtrelatie met haar voormalige docent en Bauhaus-directeur Hannes Meyer een nieuwe impuls te geven. De relatie bleek niet meer te redden. Tijdens haar werk in Charkov in de Oekraïne ontmoette ze de Nederlandse architect Mart Stam. Hij had eerder aan Magnitogorsk in de Oeral gewerkt en was later verantwoordelijk voor de gehele planning van Makejewka in de Oekraïne.
Deze periode samen met Stam was voor Lotte zeer bepalend, zowel voor haar privéleven – Lotte Beese wordt Lotte Stam-Beese – als voor haar latere werk in Rotterdam. In Makejewka maakte ze voor het eerst kennis met de zogenaamde wooneenheid.
Een wooneenheid bestond uit een cluster van woongebouwen, die in stroken met verschillende woningtypen van maximaal vijf verdiepingen hoog waren geordend. Een aantal herhalingen van deze wooneenheid vormde dan weer een buurt voor zo’n 8.000 inwoners.
In 1933 vertrok Lotte Beese samen met Mart Stam naar de Oeral om het plaatsje Orskaja te transformeren tot de moderne industriestad Orsk. In dit stedenbouwkundige plan zien we de wooneenheden terug. Ze werkte hier onder leiding van Stam aan de verkaveling van de eenheden en het ontwerp van de woongebouwen. Deze ervaring zou ze later toepassen in haar plannen voor Pendrecht, die internationaal veel waardering zouden oogsten tijdens het 7de CIAM-congres in Bergamo in 1949, en dus ook haar eerste schetsen voor de Alexanderpolder.