De Prins Alexanderpolder stond centraal in de Nederlandse inzendingen voor de CIAM-bijeenkomsten in 1953 en 1956, maar pas jaren later werden de plannen echt concreet. In dienst van de gemeente Rotterdam werkte Lotte Stam-Beese vanaf 1959 aan een structuurschetsontwerp voor Rotterdam Oost/Capelle aan den IJssel, ook wel het ROCA-gebied genoemd. Het stedenbouwkundig plan uit 1961 voor Het Lage Land, later gevolgd door de plannen voor Ommoord, waren het begin van een aanzienlijke bouwproductie in de Alexanderpolder.
Nog voordat alle plannen vaststonden, was de eerste paal al geslagen in Het Lage Land, het westelijke deel van de Alexanderpolder. Het stedenbouwkundige plan van Stam-Beese werd uiteraard anders dan de ontwerpen die op de CIAM-congressen waren gepresenteerd waar Stam-Beese ook een belangrijke bijdrage aan had geleverd. De basis was wel duidelijk herkenbaar en de belangrijke thema’s tijdens die congressen, zoals de core en de wooneenheid, kwamen ook in haar definitieve plannen terug. Wijkvoorzieningen zoals een winkelcentrum, wijkcentrum en bibliotheek kregen een centrale plaats in het plangebied. Daarnaast waren er speelplaatsen voor kinderen en sportvelden in het plan opgenomen. De hoogbouw – een ander CIAM-thema – plande ze in een groene omgeving in de vorm van molenwieken aan de rand van de wijk.

Nieuw was het begrip bebouwingsvlekken. Investeerders en aannemers kregen de kans om samen met een architect een gedeelte van het plangebied – op papier aangeduid als een ingekleurde vlek – uit te werken. Ze kregen daarmee de vrijheid om binnen de door Stam-Beese gestelde kaders hun eigen architectonische ideeën uit te werken. Een van die architecten was Ernest Groosman, die in samenwerking met de aannemer een systeembouw ontwikkelde voor het snel en systematisch realiseren van strokenbouw.

In 1962 volgde het ontwerp voor het gebied ten noorden van het Lage Land, de nieuwe wijk Ommoord, met ruim 10.000 woningen. Ook hier vertoonden de eerste schetsen van Stam-Beese veel verwantschap met de CIAM-inzendingen. In een orthogonaal raster stonden hoge gebouwen in het groen aan de rand van het plangebied. Ze vormden samen met middelhoogbouw en laagbouw diverse wooneenheden, vergelijkbaar met de plannen die Beese in de Oekraïne en later ook Pendrecht maakte. De eerste paal werd in 1965 geslagen.
Opmerkelijk is dat het plan in de drie jaar vanaf de eerste ontwerpen tot aan de start van de bouw een totale metamorfose had ondergaan. Dat had alles te maken met een positievere houding ten aanzien van hoogbouw. Het werd als een voordeel gezien dat je met hoogbouw meer ruime en lichte woningen op minder grond kon bouwen. Bovendien zou door standaardisatie en systeembouw een efficiënte bouwproductie op gang kunnen komen. Door hoog en laag in twee aparte zones onder te brengen kon ook een eenvoudige verkaveling worden toegepast. In de uiteindelijke uitvoering van het plan voor Ommoord werd dit uitgewerkt tot een zone met (middel)hoogbouw en een zone met eengezinswoningen, gescheiden door een brede weg met een groenstrook. Van de beoogde wooneenheden bleef daardoor tot haar spijt, anders dan in Het Lage Land, niet veel meer over.

De positieve houding ten opzichte van hoogbouw hield echter niet lang stand, er kwam al snel verzet tegen. In de Amsterdamse uitbreidingswijk Bijlmermeer werden in 1966 zo’n 25.000 woningen gebouwd die vrijwel uitsluitend uit hoogbouw bestonden. Deze wijk was een ontwerp van Siegfried Nassuth, die geïnspireerd was door de vroege ideeën van Le Corbusier. In zijn ontwerp voor de Bijlmermeer had hij een strenge functiescheiding toepast tussen wonen, werken, recreatie en verkeer, het uitgangspunt van La Charte d’ Athènes, de conclusie van het vierde CIAM-congres in 1933. Nassuth had als voorbereiding op zijn ontwerp Park Hill in Sheffield bezocht en was onder de indruk van dit massale woningbouwproject. De geknikte flatgebouwen in Park Hill zien we dan ook terug in de honingraatstructuur van de Bijlmermeer.
Net als in Sheffield waren de eerste bewoners van de Bijlmermeer aanvankelijk zeer tevreden over hun nieuwe woonruimte. Ze waren blij met de ruime, lichte flats, en zagen het als een flinke verbetering ten opzichte van de krappe en vochtige Amsterdamse binnenstadswoningen waar de meesten vandaan kwamen. Maar zowel in Sheffield als in de Bijlmermeer stapelden de problemen zich al snel op. Dit kwam met name door het gebrekkige onderhoud dat werd gepleegd, maar ook door de komst van veel kansarme bewoners met lage inkomens. Ook het ontbreken van voorzieningen droeg niet bij aan een prettige woonomgeving. De anonieme parkeergarages en de lange, donkere galerijen werden geteisterd door vandalisme, drugsoverlast en criminaliteit. De wijk kreeg dan ook al snel het stempel van een probleemwijk.
De vervreemding die deze problematiek tot gevolg had, kwam tot uiting in de beruchte speelfilm Blue Movie (1971) van Pim de la Parra, die werd opgenomen in de Bijlmermeer. In deze film wordt een desolate sfeer geschilderd die de voedingsbodem vormt voor losse zeden, criminaliteit en eenzaamheid. De neerwaartse spiraal was in wezen al tijdens de bouw voorspeld, toen de beroemde architect Aldo van Eyck op de televisie letterlijk bittere tranen huilde over dat monsterlijke betonnen kolos in de Bijlmermeer.
Het Rotterdamse Ommoord met al z’n hoge galerijflats is dan al gebouwd, maar anders dan in de Amsterdamse Bijlmermeer zijn hier nooit grote problemen geweest. Op de hoogte van de flats na zijn er immers ook nogal wat verschillen aan te wijzen tussen de twee projecten. Meest opvallend is dat de scheiding tussen de verschillende verkeersstromen, zoals toegepast in de Bijlmermeer, in Ommoord ontbreekt. Verder is er meteen vanaf het begin meer ruimte gegeven aan wijkvoorzieningen zoals een winkelcentrum en buurthuizen.
Maar belangrijker is misschien nog wel de betrokkenheid van de bewoners. In Ommoord heeft nooit het probleem gespeeld van slecht onderhoud. De bewoners, veelal afkomstig uit de middenklasse – ambtenaren en leerkrachten – voelden zich meer betrokken bij de ontwikkeling van de wijk en voerden met succes actie voor een leefbare en groene omgeving.

Ook Het Lage Land is nooit een probleemwijk geworden. Door de jaren heen hebben er wel veel grote en kleine ingrepen plaatsgevonden, maar de formele ruimtelijke structuur is lange tijd behouden gebleven.
Een wijk voor ambtenaren en leraren is het ondertussen al lang niet meer. De huidige bevolkingssamenstelling is veel diverser geworden, maar toch leven de bewoners hier nog steeds in betrekkelijke harmonie met elkaar. Dat neemt niet weg dat er de laatste jaren wel een kentering plaatsvindt, maar daarover later meer.
Wordt vervolgd