Van alle bijeenkomsten van het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM) die tussen 1928 en 1959 zijn gehouden, waren de vierde en de achtste de belangrijkste in het architectuurdebat over de toekomstige ontwikkelingen van de moderne architectuur.

Het vierde congres vond plaats 1933 op het stoomschip de ss Patris II tijdens een tocht over de Middellandse Zee van Marseille naar Athene en weer terug, en stond in het teken van de functionele stad. Het belangrijkste resultaat van deze bijeenkomst was de functiescheiding van wonen, werken, recreëren en verkeer. Het Handvest van Athene, dat Le Corbusier in 1941 publiceerde naar aanleiding van dit congres, heeft later terecht en onterecht de schuld gekregen van het falen van de moderne architectuur en stedenbouw.
Tijdens het achtste CIAM-congres, in 1951 in Hoddesdon , was het thema het hart ‒ of: de core ‒ van de stad. Er werd met meer nuance gekeken naar het idee van functiescheiding. Tijdens dit congres ontstond het inzicht dat een woonomgeving meer is dan een plek waar mensen wonen en dat het creëren van een gemeenschap in een buurt, een wijk en een stad minstens zo belangrijk is. In die zin kan de core van een stad worden gedefinieerd als een plek waar mensen samenleven en elkaar ontmoeten. Wat en waar die plaatsen kunnen zijn, was voor Jaap Bakema – een van de leidende figuren binnen CIAM ‒ ook een zoektocht. Toen hij eens in Finland was, kwam hij tot de ontdekking dat zelfs een sauna een core-element kon zijn. Hij concludeerde, al filosoferend, dat deze plek ‘waar over zoveel dingen wordt gepraat’ aanleiding kon zijn voor een moment of core, ‘het moment waarop we ons bewust worden van de volheid van het leven door middel van samenwerking.’

Een jaar later werd de Unité d’Habitation van Le Corbusier in Marseille opgeleverd. In dit complex zijn naast 337 appartementen verschillende functies ondergebracht, zoals een winkelstraat, een hotel-restaurant, op het dakterras een kinderdagverblijf en sportfaciliteiten. Le Corbusier liet hiermee zien dat de uitgangspunten uit 1933 met betrekking tot functiescheiding rekbaar zijn.
De Unité werd op 21 juni 1952 feestelijk geopend. Bij deze gelegenheid waren ook de Nederlandse CIAM-leden Jaap Bakema, Aldo van Eyck, Romke de Vries, Wim Boer en Ernest Groosman van de partij. Groosman haalde in 1995 in het tijdschrift Bouw herinneringen op aan het nachtelijke feest op het dakterras: ‘Volle maan boven een spiegelgladde zee, zwoel weer, de beide Smithsons in het zwembadje, stereofonische jazzmuziek en stripteasedanseressen uit Parijs.’ Het was een spektakel waar vooral Aldo van Eyck zich danig aan scheen te hebben geërgerd. Ook de Griek George Candilis en de Amerikaan Shadrach Woods, de medeontwerpers van de Unité, waren op het feest aanwezig. Het is dus niet helemaal toevallig dat precies deze groep mensen de kiem zouden leggen voor het latere Team Ten.

Weer een jaar later, in juli 1953, vond het negende CIAM-congres plaats in Aix-en-Provence. Ook hier keek met name de jongere generatie, net als bij CIAM 8, kritisch naar de functiescheiding. Zij zochten naar nieuwe ideeën en gedachten over wonen en het functioneren van een samenleving. Het thema van dit negende CIAM-congres ‒ habitat ‒ was daar uitermate geschikt voor. Habitat moest een antwoord geven op de vraag hoe de ideale woonomgeving eruit moest zien.
Het lukte ze echter niet om tot een eenduidige definitie van het begrip habitat te komen. Over één ding waren de leden het wel eens: er moest een leefomgeving gecreëerd worden die zou moeten leiden tot een ‘totale en harmonieuze geestelijke, intellectuele en fysieke vervulling’ van haar bewoners. Habitat ging dus over een meer humanistische benadering van het wonen en de woonomgeving van de functionele stad, ‘waarbij niet alle ruimte is gedefinieerd en waar ook plek is voor flexibiliteit en toekomstige ontwikkelingen.’
Het lukt dan wel niet om overeenstemming te bereiken over het begrip habitat, de Nederlandse inzending kon wel op waardering rekenen en trok veel belangstelling. Maar daarover later meer.