Van stoel – of drempel – tot stad

In een doos met architectuurboeken die ik op een veiling bij het Venduhuis in Rotterdam kocht, vind ik een boekje uit 1964: ‘van stoel tot stad’ met de ondertitel ‘een verhaal over mensen en ruimte’ van j.b. bakema, alles in onderkast. Tijdens mijn studie werd dit boekje door een docent aanbevolen als een van de theoretische traktaten die we zeker moesten lezen. Een leuke vondst dus, ook omdat er voorin een opdracht staat, geschreven in zwarte inkt: dag Paul  weinig van het interieur maar wel heel dicht erbij  Bakema 

Het boekje is een bewerking van een serie voordrachten van Jaap Bakema die begin jaren zestig op zondagavond op televisie werden uitgezonden, in een tijd dat er nog maar één zender was; hij bereikte daardoor een groot publiek. Tijdens de uitzendingen staat Bakema voor een schoolbord te praten, al schetsend en improviserend. Hij vertelt zijn verhaal met overtuiging en met een stem die wel wat weg heeft van een dominee. Maar dat maakt het verhaal niet minder interessant.

Het boekje van stoel tot stad heeft dezelfde verteltoon als de tv-uitzendingen. Daardoor ervaar je dezelfde emotie die hij al pratend op tv liet zien. Voor de camera vertelde hij al dat ‘het verhaal van stoel tot stad een moeilijk verhaal’ is, omdat hij eigenlijk niet over stoel en stad wil praten, maar over ‘de ruimte waarin stoel en stad staan’. Die ruimte is daarom ook in het boek het hoofdthema, waar hij met overgave over vertelt.

In vrijwel alle schetsen die in het boekje staan, zijn pijlen getekend. Daarmee geeft hij aan waar ruimte ontstaat, ruimte die wordt ervaren en gedeeld door mensen. Bakema vertelt bij de tekeningen hoe mensen zich in de ontstane ruimte kunnen verhouden tot de omgeving of tot elkaar. Dat kan binnen een gebouw zijn, maar ook in de publieke ruimte. In zijn verhaal besteedt hij vooral aandacht aan de overgang tussen deze twee gebieden en de ontmoetingen die daar kunnen plaatsvinden.

In zijn wijdlopige manier van vertellen is het soms moeilijk om de lijn van het verhaal te volgen. Een uitspraak zoals ‘Architectuur zou weer uitdrukking kunnen zijn van menselijke gedragingen’ – vetgedrukt in het boek – wordt voorafgegaan door een omslachtige omschrijving van de mogelijke menselijke gedragingen in een hoog kantoorgebouw, waar je beneden je auto of fiets stalt, met de lift omhoog gaat, een appel eet of een fles melk drinkt, waar een bloem in de vensterbank staat, ruimtes zijn waar wel of juist geen daglicht naar binnen komt, waar je bij het toilet je handen wast, op het dak over een borstwering leunt, en waar je tot slot naar buiten kijkt en aan de overkant ‘een leuk meisje in een ander gebouw’ ziet.

De ontmoetingen waar Bakema over uitweidt, hebben niet alleen te maken met de verhouding van mensen tot elkaar en tot de ruimte, maar ook met die van gebouwen ten opzichte van elkaar in de stedenbouwkundige ruimte. In de tekeningen introduceert hij wegen, kerngebieden en een verzameling hoge en lage gebouwen. Ook op deze schaal gaat het over overgangselementen en geeft hij met pijlen de ruimte aan tussen publieke en private ruimte en tussen kerngebied en periferie. Altijd staat de ontmoeting en de beleving van de ruimte centraal.

Bakema spreekt overigens vooral over de ‘totale ruimte’. Daarmee bedoelt hij kort gezegd alle aspecten van de ruimte, van de privéruimte in een woning of kantoorgebouw – de architectonische ruimte – de ruimte rondom de gebouwen, straten, bomen, enzovoort – de stedenbouwkundige ruimte – de stad, en alles wat daar weer buiten ligt, tot de sterren en het heelal aan toe. In de totale ruimte hangt alles met elkaar samen, daarom is het naar zijn mening zo belangrijk om alle aspecten van de ruimte – van stoel tot stad – samen in ogenschouw te nemen. Maar in de praktijk constateert hij dat de stedenbouwkundige ruimte steeds meer los wordt gezien van de architectonische ruimte. ‘Zolang dit het geval blijft, zullen we architectuur en stedenbouw zien vastlopen in historisch of modern decorativisme,’ voegt hij er bezorgd aan toe. Het is een zorg die niet geheel ten onrechte was, weten we inmiddels.

Het interieur komt in het boekje uiteindelijk niet veel ter sprake, in ieder geval minder dan de Paul die op de titelpagina voor in het boek door Bakema wordt toegesproken misschien zou hebben gehoopt. De enige duidelijke verwijzing naar het interieur is het pleidooi van Bakema om woningen zo te ontwerpen dat de indeling flexibel aan te passen is door middel van verplaatsbare wanden en kasten. Maar verder gaat het meer over de stad dan over de stoel. Voor de Engelse vertaling – die overigens niet is uitgegeven – vond Bakema de titel from doorstep to city dan ook beter bij de inhoud passen.

Boekgegevens

van stoel tot stad

een verhaal over mensen en ruimte

J.B. Bakema

Redactie: Brita Weber-Bakema

Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Zeist, 1964

N.V. Standaard Boekhandel, Antwerpen

gevonden in: veiling Venduhuis Rotterdam