A Brave New World in Suburbia ‒ of niet?

Wie zich kritisch of cynisch uitlaat over de buitenwijken van de stad bevindt zich in goed gezelschap. In de twintiger jaren van de vorige eeuw dacht Aldous Huxley al negatief over de moderne architectuur en de stedenbouw. Huxley had vooral zijn bedenkingen ten opzichte van Le Corbusier, de verpersoonlijking van de moderne architectuur en stedenbouw toen en nu. De Engelse schrijver hekelde met name de verticale bouwblokken en de klinische, ziekenhuisachtige benadering van het wonen van de toen nog Zwitserse architect. In zijn beroemde roman Brave New World schetst hij  een dystopische wereld, geïnspireerd door de hoogbouw van Le Corbusier. De bewoners van die ‘heerlijke nieuwe wereld’ leven in een kunstmatige omgeving, volledig afgesloten van de natuurlijke wereld die als zeer bedreigend en iets afschuwelijks wordt voorgesteld.

Ook in de jaren na de Tweede Wereldoorlog was er volop kritiek op suburbia. In The City in History beschrijft de Amerikaanse socioloog Lewis Mumford de buitenwijken rond grote steden als plekken waar identieke huizen staan langs identieke wegen, op gelijke afstanden van elkaar. Er wonen volgens hem mensen die in alle opzichten op elkaar lijken en hetzelfde leven leiden. Hij is kritisch over de stedelijke wildgroei rond grote steden en op de moderne stadsplanning die volgens hem medeverantwoordelijk is voor veel sociale problemen.

Meer recent is het de Franse auteur Michel Houellebecq die zich in interviews en essays laatdunkend uitlaat over moderne architectuur en stedenbouw. Ook hij richt zijn pijlen vooral op Le Corbusier. Houellebecq noemt hem totalitair, een totale mislukking, zeker op het gebied van urbanisme, en hooguit geschikt voor het bouwen van concentratiekampen. In diverse romans schetst hij de dreigende en angstige sfeer die tussen de hoge blokkendozen in de banlieues heerst.

Net als Huxley in Brave New World schetst Houellebecq een dystopisch wereldbeeld. Met name in zijn roman La possibilité d’une île beschrijft hij een degenererende wereld waarin mensen leven die het resultaat zijn van genetische manipulatie en klonen. Mumfords beschrijving van het mensbeeld is ook niet erg vrolijk als hij de suburbs observeert. Alle drie zien ze de snelle technologische en economische ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande geestelijke verarming van het individu als een bedreiging voor de mensheid.

Oplossingen voor de problemen worden niet echt aangedragen. Met hun antropologische benadering zien ze wel dat de wereld verandert en dat er andere eisen worden gesteld aan steden  en de leefomgeving van mensen, maar geen van drieën richt zijn blik hiervoor op de toekomst anders dan in de vorm van een dystopie. Mumford erkent wel de noodzakelijke groei van steden, mits dat gecontroleerd en organisch gebeurt. Daarbij ziet hij de Middeleeuwse stad nog altijd als de ideale stad.

Maar juist voor de modernistische beweging was het loslaten van de geschiedenis de belangrijkste drijfveer. De modernisten keken met vertrouwen naar de mogelijkheden die technologische ontwikkelingen en de machine met zich meebrachten. Zo was Le Corbusier gefascineerd door de luchtvaart en de schoonheid van functionele vliegtuigonderdelen. Hij ontwierp deurknoppen, lampen, stoelen, interieurs en gebouwen. Maar ook steden, zoals het beroemde en beruchte Plan Voisin voor Parijs, waarin het centrum van de stad moest worden afgebroken om plaats te maken voor kantoren en zestig verdiepingen hoge woontorens.

Veel van de naoorlogse uitbreidingswijken in Europa zijn geïnspireerd door de visie van Le Corbusier of zijn volgelingen. Deze wijken, met vaak sombere, identieke bouwblokken en veel hoogbouw, krijgen de nodige kritiek te verduren krijgen. Die kritiek is vaak ook terecht, want door sociale problemen en gebrekkig onderhoud van de gebouwen of de omgeving gaat het op veel plekken fout. Toch is dat niet overal zo. Er zijn ook plaatsen waar het wél goed gaat. Meestal is de kritiek gebaseerd op een vergelijking tussen de saaie buitenwijken en de dynamische de traditionele stad.

Hoe terecht die kritiek is, kan alleen worden bepaald door objectief de geschiedenis van de modernistische stadsuitbreidingen te bestuderen. De modernisten keken zelf weliswaar liever naar de toekomst dan naar het verleden, maar nu zijn ze zelf een deel van de geschiedenis geworden. Daarom is het nu van belang om te bestuderen hoe de suburbs zich sociaal en cultureel hebben ontwikkeld. Wat waren de uitgangspunten en idealen en wat was de doelgroep waar voor gebouwd werd? Wie wonen er nu en hoe is het gesteld met duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie? En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe leven de bewoners van nu naast elkaar en met elkaar? Wat zijn hun dagelijkse bezigheden, waar ontmoeten ze elkaar en wat vinden ze van hun woonomgeving? De antwoorden op deze vragen kunnen dan uitwijzen of de kritiek op en het cynisme over suburbia terecht is.